ABP is een onafhankelijk en gerenommeerd akoestisch adviesbureau en is gespecialiseerd inwet- en regelgeving luchtkwaliteit en luchtkwaliteitsonderzoek.

akoestisch onderzoek  

terug naar informatie / publicatie overzicht

Ontwikkelingen wet- en regelgeving luchtkwaliteit
Met betrekking tot luchtkwaliteit zijn er op het gebied van o.a. wet- en regelgeving momenteel volop ontwikkelingen.

Ten aanzien van de verbetering van de luchtkwaliteit kiest het kabinet voor een vier-sporenaanpak. Dit houdt het volgende in:

1. Maatregelen. Maatregelen om de uitstoot van vooral verkeer, industrie en landbouw te verminderen. 
2. Wet- en regelgeving. Begin augustus 2005 zijn het Besluit luchtkwaliteit 2005 en de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 van kracht geworden. In maart 2006 is de Regeling saldering luchtkwaliteit 2005 ingegaan. Er ligt een wetsvoorstel voor de Wet luchtkwaliteit. De kern van dit voorstel is een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). 
3. Internationale inzet. De regering wil vooral strengere Europese normen voor de uitstoot van auto's en vaartuigen. Uiteindelijk biedt 'bronbeleid' (beleid om vervuiling bij de bron aan te pakken) een duurzame oplossing voor luchtverontreiniging.
4. Doorwerking naar de praktijk. Samenwerking van alle betrokken overheden om de problemen rond luchtkwaliteit en ruimtelijke ordening in kaart te brengen en effectieve oplossingen te zoeken. Dat gebeurt onder andere op basis van 12 proefprojecten (pilots) om de saldobenadering of saldering in de praktijk te toetsen.

Ten aanzien van punt 2: wet- en regelgeving, zijn er veel ontwikkelingen.

Regeling saldering luchtkwaliteit 2005
Op 17 maart 2006 is de Regeling saldering luchtkwaliteit 2005 in werking getreden. De regeling werkt de regels voor saldering uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 uit. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Overheden moeten zoveel mogelijk in de nabijheid van een ruimtelijk project salderen. Ook moeten zij de maatregelen die de luchtkwaliteit in het grotere gebied per saldo verbeteren, zo veel mogelijk tegelijkertijd met dit project realiseren. De regeling stelt eisen aan overheden om ruimtelijke besluiten goed te onderbouwen en motiveren. Ze zijn ontleend aan de Kamerbrief over saldering van 20 juli 2005. Zo bevat de regeling zowel zogenoemde 'inhoudsvereisten' (artikel 6) als 'motiveringseisen' (artikel 7). Overheden moeten bij hun ruimtelijke besluiten aangeven hoe ze rekening houden met mensen voor wie de luchtkwaliteit verslechtert. Uitgangspunt is dat dit aantal afneemt. Zo niet, dat moeten overheden hun besluit extra goed motiveren.

Wetsvoorstel luchtkwaliteit
Naast het Besluit luchtkwaliteit en de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 is recent het wetsvoorstel Wet luchtkwaliteit aangeboden aan de Tweede Kamer. Kern van het wetsvoorstel is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in het programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de Europese normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Hiermee introduceert VROM een zogenaamde 'flexibele koppeling'.

In gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (zogenoemde overschrijdingsgebieden) gaan overheden in gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL is een bundeling van alle gebiedsgerichte programma's en alle Rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het is een balans met aan de linkerzijde alle maatregelen die het Rijk, provincies en gemeenten vanaf 1 januari 2005 nemen om de luchtkwaliteit in een gebied te verbeteren. Aan de rechterzijde staan alle grote ruimtelijke activiteiten in het gebied waarover de overheden de komende vijf jaar een besluit willen nemen. Het gaat hier om ruimtelijke, verkeers- en infrastructurele besluiten en vergunningen voor industriële installaties. Ook projecten met strategische nationale ruimtelijke doelen kunnen onder dit programma vallen. De balans helt over naar links: de positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) moeten de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren) ruimschoots overtreffen.

Het Rijk coördineert het nationale programma. Het Rijk maakt met provincies en gemeenten afspraken over toetsbare resultaten. In de gebieden moeten de normen voor luchtkwaliteit stap voor stap dichterbij komen. De overheden kunnen op die resultaten worden afgerekend. De programma-aanpak sluit aan op de gebiedsgerichte aanpak die VROM gebruikt bij de uitvoering van de Nota Ruimte, de beleidsnota over de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Als voordelen worden genoemd:

-  minder werklast
Het programma betekent minder werk voor gemeenten. Gemeenten waar de lucht te vuil is, moeten al aangeven welke maatregelen ze nemen om aan de Europese grenswaarden te voldoen. In het NSL doen ze dat voor het hele programma en niet langer voor elk afzonderlijk project.

-  Flexibele uitvoering
Overheden stellen in een gebiedsgericht programma vast in welk jaar het gebied aan de Europese normen voldoet. En ook in hoeverre de luchtkwaliteit dan is verbeterd. Gemeenten moeten vervolgens aantonen dat projecten bijdragen aan deze doelen. Het voordeel is dat projecten niet meer aan de Europese norm worden getoetst, maar aan het doel van het programma. Indien het programma aangeeft dat in bijvoorbeeld pas 2014 aan de Europese normen dient te worden voldaan geeft dit meer tijd.

Flexibele koppeling
Nederland heeft in de wetgeving ruimtelijke ordening en de normen voor luchtkwaliteit aan elkaar gekoppeld. Nederland betrekt al sinds jaar en dag álle relevante belangen (dus ook die van het milieu) bij ruimtelijke besluiten. Dit uitgangspunt van een 'goede ruimtelijke ordening' is verankerd in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De Europese unie schrijft zo'n koppeling echter niet voor. En volgens critici stagneert die koppeling de uitvoering van ruimtelijke plannen. VROM heeft de gevolgen van 'ontkoppeling' bekeken hieruit bleek dat de juridische en procedurele risico's van volledige ontkoppeling te groot zijn.

Flexibele koppeling komt in het wetsvoorstel voor de Wet luchtkwaliteit tot uitdrukking in gebiedsgerichte programma’s. Overheden in gebieden die niet voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit, kunnen een gebiedsgericht programma opzetten. Alle bouwprojecten in dat gebied mogen doorgaan, als maar maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit in het hele gebied op zijn minst gelijk te houden.

In betekenende mate
Alleen grote ruimtelijke projecten die in betekenende mate de luchtkwaliteit verslechteren worden nog indirect getoetst aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om grote projecten. In feite verdeelt de term 'in betekenende mate' projecten in kleine en grote ruimtelijke projecten. In Nederland zijn meer dan 5000 ruimtelijke projecten. Slechts zo'n 150 daarvan, de grote projecten, verslechteren de luchtkwaliteit 'in betekenende mate'.

De kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling).

De grote projecten verslechteren de luchtkwaliteit 'in betekenende mate'. Ze worden waar mogelijk opgenomen in de gebiedsgerichte programma's van het NSL. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op de afzonderlijke effecten op de luchtkwaliteit, maar getoetst aan de criteria van het NSL. Met deze projecten moeten de doelstellingen van het NSL voor het specifieke gebied nog steeds kunnen worden gerealiseerd. Alleen dan kan het project doorgaan. De negatieve gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit kunnen in het gebiedsprogramma worden gecompenseerd. Dat kan door extra maatregelen in het project zelf te treffen om de luchtkwaliteit te verbeteren, in de nabije omgeving van het project maatregelen te nemen (salderen) of door het project op te nemen in het NSL.

De definitie van 'in betekenende mate' wordt vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Hiervoor zal worden aangesloten bij de definities die buurlanden hiervoor gebruiken. Duitsland bijvoorbeeld hanteert een grens van 3%; projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Dit criterium is een ‘of-benadering’. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project ‘in betekenende mate’ de luchtkwaliteit.

De 3%-norm betekent concreet:
- woningbouw: 2.000 woningen netto
- infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder   congestie)
- bedrijventerreinen: netto oppervlak van minder dan 40 hectare. Daarnaast bij vergunningverlening per bedrijf beoordeling emissie op concentratietoename
- kantoorlocaties: 40.000 m2 bruto vloeroppervlak

Ieder gebied waar de Europese normen worden overschreden mag een gebiedsgericht programma opstellen. Gemeenten zijn dat niet verplicht, maar het Rijk ondersteunt alleen deze programma's. Voor sommige gebieden kan het Rijk een programma verplicht stellen. Het gaat dan om gebieden waar doorheen bijvoorbeeld een snelweg is gepland. Zo'n project is ondeelbaar en bestrijkt meerdere gebieden. Het zou vreemd zijn als de snelweg in één gebied wel kan worden aangelegd en in een ander gebied niet. Als een gebied geen programma opstelt, moet het aantonen dat ruimtelijke projecten de luchtkwaliteit niet verslechteren.

Uiterlijk op 1 mei 2006 moeten gemeenten een voorstel indienen voor de grenzen van hun gebieden. VROM legt de gebieden vervolgens vast in een ministeriële regeling. Er moet nog worden bekeken hoe de gebieden uiteindelijk voor het NSL worden afgebakend. Het kan aansluiten op de gebieden die nu al gebiedsgericht werken. Het is ook mogelijk dat een of meerdere gebieden voor het NSL worden samengevoegd. Dit hangt af van de samenhang tussen ruimtelijke ontwikkeling en maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Overheden overleggen met het Rijk over de maatregelen en projecten in het programma. Gemeenten kunnen hierbij ook decentrale activiteiten voor de ruimtelijke hoofdstructuur, zoals bijvoorbeeld de bouw van woonwijken volgens de woningbouwafspraken, inbrengen.

Wat betekent dit voor uw ruimtelijke plannen?
De wet- en regelgeving zal resulteren in minder bezwaren ten aanzien van de luchtkwaliteit voor de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Voor de realisatie van “kleine” ruimtelijke plannen die de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' verslechteren betekent dit dat deze niet meer beoordeeld worden op luchtkwaliteit. Bij “grote” ruimtelijke plannen kan de gebiedsgerichte benadering er voor zorgen dat de verslechtering van de luchtkwaliteit die optreedt door uw plan gecompenseerd kan worden. Hierdoor kan uw plan wel gerealiseerd worden.